Fase in de wolbewerking die volgt op het wassen van de ruwe wol en voorafgaat aan het kaarden, waarin wol met veel klitten chemisch wordt gereinigd: de gewassen wol wordt in zwavelzuur gedrenkt en daarna verhit, waardoor klitten, zaden en ander plantaardig materiaal dat na het wassen achterblijft, verkolen en bros worden. De verkoolde resten worden vervolgens geplet en uitgeschud, terwijl de wol zelf grotendeels gespaard blijft. Sommige beschrijvingen van de wolbewerking uit de tapijthandel gebruiken het woord in een lossere betekenis voor een wasfase die tussen het wassen van de ruwe wol en het kaarden plaatsvindt, de vezels zachter en witter maakt en een van de stappen is die pas geschoren vacht tot schone wol maken, klaar om te worden gekaard, gesponnen en geverfd tot tapijtgaren.
Stap in de wolbewerking waarbij gereinigde wol door een kaardmachine gaat, die de vezels in één richting legt en eventuele resterende onzuiverheden verwijdert. Het volgt op het wassen en het carboniseren en gaat vooraf aan het spinnen, zodat de wol klaar is om tot garen voor het tapijt te worden gesponnen.
Het eerste wassen van ruwe wol na het scheren, waarbij vuil en andere onzuiverheden uit het vlies worden verwijderd. Het is een van de eerste bewerkingen bij het klaarmaken van wol voor Perzische en oosterse tapijten en wordt gevolgd door carboniseren, kaarden en het spinnen tot garen.