Decoratief vlakgeweven tapijt dat oorspronkelijk in Frankrijk werd gemaakt, gekenmerkt door bloemmotieven, medaillons en architecturale elementen in pasteltinten. Traditionele Aubussons waren handgeweven wandtapijten voor de Franse adel.
Dessins en structuren die aan de natuur zijn ontleend en bedoeld zijn om elementen uit de natuurlijke wereld het interieur binnen te brengen. Ze horen bij de bredere stroming van het biofiele ontwerpen, die de band tussen mens en natuurlijke omgeving wil versterken.
De “rokband”: een extra sierband aan één of beide uiteinden van een Turkmeens tapijt, buiten de hoofdbordure, vaak geweven in een bewust andere techniek of een ander patroon dan de rest van het stuk. Elems hadden praktische functies op tenttassen en dierentuig, en voor verzamelaars zijn ze een vingerafdruk: de stijl van een elem helpt een stuk toe te schrijven aan een bepaalde stam, zoals de Tekke, de Salor of de Yomut.
Kleine tapijten voor het islamitische gebed, met een mihrab (boog) die de richting van Mekka aangeeft. Ze meten doorgaans ongeveer 90 × 150 cm en hebben kenmerkende architecturale elementen, zoals de gebedsnis of boog aan één uiteinde. Gebedskleden uit de verschillende streken hebben eigen dessins, kleuren en motieven die de plaatselijke culturele invloeden weerspiegelen.
Handgemaakte tapijten uit oosterse landen als Perzië (Iran), Turkije, Afghanistan, Pakistan, India en China. Ze staan bekend om hun fijnzinnige dessins, hun hoge knoopdichtheid en hun traditionele patronen. Oosterse tapijten worden ingedeeld naar herkomstgebied, weeftechniek, dessinelementen en materialen; elk gebied brengt eigen stijlen voort die de plaatselijke culturele en artistieke tradities weerspiegelen.